De rechtsstatelijkheid van de Europese Unie

Dezer dagen viert de Commissie Meijers – de permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen- vluchtelingen- en strafrecht – haar 25-jarig bestaan met een congres over de rechtsstatelijkheid van de Europese Unie. In dit nummer worden diverse deelonderwerpen dienaangaande besproken, maar als we over die rechtsstatelijkheid in volle omvang willen spreken dan is de gekozen invalshoek allesbepalend. 

Een vreemdeling of een verdachte zal vanuit zijn eigen rechten spreken. Een vluchteling zal bijvoorbeeld vragen of het in een rechtsstaat past om hem – net als de schrijver Rodaan al Galidi – negen jaar te laten wachten op zijn status, terwijl hij niet mag werken? Een rechter – bijvoorbeeld een Hongaarse of Poolse rechter – zal vragen of de Unie er iets aan doet als een democratisch gekozen regering inbreuk maakt op de onafhankelijkheid van de rechtspraak in lidstaten. En een Nederlandse politiek betrokken burger vindt de gebondenheid van de overheid aan de wet en het recht op (toegang tot) een eerlijk proces tegenwoordig vanzelfsprekend, maar wil meer te zeggen hebben over de toe te passen regels. In dat perspectief is gepleit voor een sterker Europees Parlement, maar het is – met de uitkomst van het Oekraïne-referendum en de discussie over een Brexit in het achterhoofd – de vraag of het gevoel van vervreemding daardoor wordt gekeerd.

Het lijdt geen twijfel dat de Rule of Law in de Europese Unie hoog staat aangeschreven. Maar de voormalige rechter bij het Duitse Grondwettelijk Hof, Dieter Grimm, heeft er terecht op gewezen dat – na de beslissingen van het Hof van Justitie dat Europese verdragen een eigen rechtsorde hebben gecreëerd die voorrang heeft boven nationale regels (1962-1964) en de Europese Akte die meerderheidsbeslissingen toeliet (1986) – de uitvoerende en rechterlijke instellingen van de EU zich hebben ontkoppeld van de democratische processen in de lidstaten zelf en een onafhankelijke koers varen.1 Misschien is Europa niet zozeer een democratische als wel een technocratische rechtsstaat.

Zeker als de instellingen niet in staat lijken prangende problemen op te lossen levert het gebrek aan politieke draagkracht wrevel op. Dat bleek tijdens de financiële en de migratiecrises. Daarmee hangt samen dat voor veel Europese burgers het Europese recht veeleer een bron van technocratische standaardisering is, dan een democratisch legitieme afspiegeling van gedeelde waarden. Om die politieke draagkracht te herstellen zijn niet zozeer en zeker niet alleen spannender verkiezingen nodig, als wel een rationele openbare meningsvorming. Daarom doet een eventuele versterking van het Europese Parlement niet af aan het blijvende belang in Europa van de democratische processen in de lidstaten zelf.

In dat perspectief is het belangrijk dat het Europese beleid en de implementatie van Europese regelgeving in de lidstaten – in Nederland – met inhoudelijk debat gepaard gaan. Nu lijken Nederlandse politici zich soms drukker te maken over de vraag of een minister het verschil wel kent tussen de FBI en de New Yorkse politie dan over de Europese Richtlijn terrorismebestrijding waarin de vrijheid van meningsuiting fundamenteel ter discussie wordt gesteld (CM1602).2 Daarom is het goed dat een gezelschap van wetenschappers en praktiserende juristen Europese voorstellen toetst aan de eisen van de democratische rechtsstaat en in een zo vroeg mogelijk stadium probeert politici, beleidsmakers en het publiek te informeren. Dat gezelschap is de Commissie Meijers. Ze begon in 1991 vanuit zorgen over de overmatige geheimhouding rond Europese besluitvorming en over maatregelen die nadelig zijn voor de rechtspositie van burgers. Misschien is geheimhouding niet meer het goede woord, maar gebrek aan transparantie is er nog steeds. Nationale politici kunnen nauwelijks inzicht krijgen in wat er gebeurt tijdens de langdurige onderhandelingslobby tussen Raad, Parlement en Commissie. Ik noem het de Brusselse Black Box, maar in het Europees jargon heet het de triloogfase (daarover CM1601).

De adviezen van de Commissie Meijers stralen een droog-juridische hardheid uit die alleen mensen die echt verstand van zaken hebben uit hun pen krijgen. Dat geeft ze onder ingewijden een hoge status, maar verklaart ook waarom de media en het publiek de commissie niet goed kennen. En toch is hun aanpak er een van simpele vragen: mag het, heeft het nut, wie controleert? Mag de Nederlandse wetgever als EU-lidstaat – in het kader van de bestuurlijke terrorismebestrijding – mensen wel verbieden niet alleen het Nederlandse grondgebied, maar ook het gehele Schengengebied uit te reizen (CM1506)? Heeft het wel echt nut om in het Entry Exit System vingerafdrukken en andere gevoelige informatie van 270 miljoen personen op te slaan (in het licht van de reeds bestaande databases en in aanmerking genomen de grotere risico’s van onjuiste of onvolledige gegevens – CM1512)? En wie controleert de toepassing van onderzoeksmaatregelen en dwangmiddelen van een Europees Openbaar Ministerie in een transnationaal onderzoek (CM1509)?

De Commissie Meijers vertolkt met dergelijke vragen de stem van de rede op de met emoties beladen terreinen van vluchtelingen-, vreemdelingen, en strafrecht. Door de kundigheid van de Brusselse Black Box om problemen te herformuleren tot discussies over te nemen technische maatregelen, raken onderbewuste mechanismes – de waan van de dag, de (politieke en nationale) emoties – en impliciete keuzes uit het zicht. Maar juist bij complexe en urgente problemen als terrorisme en de komst van grote aantallen asielzoekers volstaat zo’n herformulering niet. Dan is er behoefte aan een combinatie van leiderschap en betrokkenheid – die Europa zo slecht in staat is te bieden en die dus uit de nationale politiek moet komen. Ten overstaan van enerzijds de vaak als techniek gedissimuleerde fundamentele keuzes en anderzijds de door bezorgde en boze burgers besprongen nationale politici is het moeilijk de redelijkheid en de waarden van de Europese rechtsstaat hoog te houden. Door daaraan stem te geven vertolkt de Commissie Meijers de rationele publieke opinie en dat is hard nodig voor het behoud van de rechtsstatelijkheid van de Europese Unie.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/749, afl. 16

Bron afbeelding: Rock Cohen

 

  1. Zie zijn bijdrage in Luuk van Middelaar en Philippe van Parijs (red.), Na de storm, Hoe we de democratie in Europa kunnen redden, Lannoo 2015.
  2. Alle CM-verwijzingen zijn te raadplegen op https://www.commissie-meijers.nl/nl
Ybo Buruma

Naam auteur: Ybo Buruma
Geschreven op: 20 april 2016

Raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.