Cross-examination in de lage landen

“The truth? You can't handle the truth!”

Aldus het karakter van Jack Nicholson in de film “A Few Good Men” nadat hij heftig werd ondervraagd door de advocaat, gespeeld door Tom Cruise.

Hollywood is gek op een goed getuigenverhoor, en geef ze eens ongelijk.Maar de fascinatie met het getuigenverhoor gaat verder dan alleen populaire media. In de Verenigde Staten wordt hier veel over gepubliceerd. Een klassieker op dit gebied is ‘The art of cross-examination’ door Francis L. Wellman, (1904).1 Een ander klassiek voorbeeld is het college ‘The Ten Commandments of Cross-examination’ door voormalig rechter Irving Younger.2 Ook door de aanwezigheid van camera’s in rechtszalen is veel beeldmateriaal beschikbaar van praktijkvoorbeelden van getuigenverhoren in geruchtmakende zaken zoals het proces tegen O.J. Simpson.

Zoveel aandacht als er in de Verenigde Statenisvoor dit onderwerp, zo weinig aandacht is er in Nederland. Op een enkele cursus na, bestaat vrijwel geen onderwijs en vrijwel geen literatuur over de vraag hoe een advocaat of officier van justitie het beste een getuige kan verhoren.3

De vraag is dus of de Nederlandse procesdeelnemer de lessen en praktijkvoorbeelden over ‘cross-examination’ uit de Verenigde Staten kan gebruiken ter verhoging van de kwaliteit van het getuigenverhoor, en zo ja, in hoeverre?

Voor het antwoord op deze vraag sta ik eerst stil bij de definitie van‘cross -examination’. Dit is relevant omdat ‘cross examination’ niet vertaald kan worden als ‘kruisverhoor’, wat nog wel eens wordt gesuggereerd.

Vervolgens bespreek ik het wettelijk kader omtrent ‘cross-examination’ zoals dat geldt in de federale rechtbanken van de VS. Dit wettelijk kader vergelijk ik  met het Nederlands recht om een antwoord te krijgen op de vraag of hetgeen tijdens ‘cross-examination’ mag, ook in Nederland is toegestaan. Na deze bespreking focus ik op de praktijk en bekijk ik wat een goede ‘cross’ typeert en waaromdatzo is. Hierna kan een antwoord worden gegeven op de centrale vraag.

Gelet op de beperkte omvang van dit artikel en de kennis van de auteur zal de vergelijking plaatsvinden binnen de strafvorderlijke context van het Nederlands recht.

 

Cross-examination vs. kruisverhoor

Een getuigenverhoor ter zitting in de VS gaat altijd langs hetzelfde stramien. In beginsel stellen de aanklager en de advocaat de vragen aan de getuige. De partij die de getuige heeft opgeroepen begint met vragen stellen. Dit is de ‘direct examination’. Hierna is de tegenpartij aan de beurt voor de ‘cross examination’. Vervolgens krijgt de wederpartij eventueel de gelegenheid tot ‘re-direct’. Deze stijl van het horen van getuigen wordt in het Nederlands een ‘kruisverhoor’ genoemd. De partijen stellen over en weer vragen en ‘kruisen’ daarmee de getuige.

Cross examination’ in Amerikaanse context betekent niet meer of minder dan het verhoor door de advocaat van de belastende getuige. ‘Cross-examination’ kan dus niet zonder meer worden vertaald met de Nederlandse term ‘kruisverhoor’. De ‘cross’ is namelijk maar de helft van het kruisverhoor. Het is dus juist dat Nederland geen kruisverhoor kent, maar tegelijkertijd heeft (de advocaat van) de verdachte op grond van art. 292 lid 3 Sv wel degelijk het recht om de getuige vragen te stellen en dus een recht op wat in de VS wordt genoemd ‘cross-examination’.

 

Het Amerikaans federaal wettelijk kader

Het algemene bewijsrecht voor civiele- en strafzaken binnen de federale jurisdictie is gecodificeerd in de ‘Federal Rules of Evidence’ (hierna: FRE). De functie van de bewijsregels is om de toelating van bewijs tot ‘the record’ (het dossier) te reguleren. Indien bezwaar bestaat tegen een bewijsmiddel, zoals het antwoord van een getuige, dan zal de partij bezwaar moeten maken (objection!’) en expliciet moeten aangeven waarom het bewijs in strijd komt met één van de bepalingen in de FRE (regel 103(a)(1)(B)). Als het bezwaar gegrond is (sustained!), dan wordt het bewijsmiddel uit de ‘record’ gehaald en maghetniet meer worden meegenomen in enige beslissing.

Regel 611 is de centrale bepaling voor het getuigenverhoor. Regel 611(A) bepaalt in zijn algemeenheid dat de rechter discretie heeft antwoorden te beletten in de gevallen dat de vragen niet dienstbaar zijn voor de waarheidsvinding, als deze tijd verspillen of de getuige in verlegenheid kunnen brengen. Regel 611(A) is de grondslag om antwoorden te beletten op vragen die onnodig ingewikkeld zijn, argumentatief van aard zijn, de getuige vragen de speculeren, of al een keer gesteld zijn. Sub B regelt dat een ‘cross-examination’ alleen mag gaan over wat de getuige tijdens de ‘direct’ heeft verklaard of over de geloofwaardigheid van de getuige. Sub C regelt dat leidende vragen zijn toegestaan tijdens de ‘cross’ maar niet tijdens de ‘direct’. Het verdient nog opmerking dat de FRE niet verbieden dat de rechter vragen stelt aan de getuige.4

Voor de praktijk van het getuigenverhoor zijn verder van belang regel 403 en artikel 8. Het voert te ver om deze bepalingen hier uitgebreid te bespreken. Samengevat geeft regel 403 dat alleen relevant bewijs is toegestaan en artikel 8 regelt wanneer een verklaring ‘hearsay’ (de-auditu) is en dus niet is toegestaan als bewijs.

De overige bepalingen uit de FRE zorgen voor minder discussie en regelen zaken als de competentie van getuigen en deskundigen, welke feiten als feiten van algemene bekendheid kunnen worden aangenomen (judicial notice) en het verschoningsrecht.

 

Het Nederlands wettelijk kader

Het tweede boek, titel VI, derde afdeling van het wetboek van strafvordering regelt het onderwerp ‘bewijs’. Deze titel geeft de bewijsstandaard (art. 338), een opsomming van de wettige bewijsmiddelen en definities daarvan (art. 339 e.v.), de regel dat getuigen alleen uit eigen waarneming kunnen verklaren (art. 342 lid 1), de bewijsminimumregel (art .342 lid 2), en enkele bijzondere bepalingen wat betreft anonieme getuigen (art. 334a).

De gang van zaken bij het getuigenverhoor is geregeld in de eerste afdeling van het tweede boek. Art. 292 lid 1 bepaalt dat in beginsel de voorzitter de getuige ondervraagt, met als enige uitzondering dat de verdediging mag beginnen als het een getuige a décharge betreft die nog niet eerder heeft verklaard (lid 4). Lid 2 geeft de officier van justitie, en lid 3 de verdediging, het recht om de getuige te bevragen. Art. 293 lid 1 bepaalt dat de verdediging en de officier kunnen verzoeken of vorderen dat de voorzitter de getuige belet antwoord te geven op een gestelde vraag. Lid 2 geeft de officier en verdediging het recht opmerkingen te maken over een vraag die is gesteld door de voorzitter of bijzitters. Hoewel de wet niet expliciet regelt in welke gevallen de voorzitter antwoorden kan beletten, wordt algemeen aangenomen dat antwoorden kunnen worden belet indien de vraag niet ziet op enige vraag te beantwoorden in het kader van artt. 348/350, het antwoord de getuige nadeel kan berokkenen of waardoor diens goede naam wordt aangetast.5 Vragen die als doel hebben de betrouwbaarheid van de getuige te onderzoeken, mogen niet worden belet.6

Bepalingen over de vorm van de vraagstelling kent het wetboek van strafvordering niet. Een enkele maal is geprocedeerd over de vraag of het toegestaan is de getuige leidende vragen te stellen. In het kader van een wrakingsverzoek door een advocaat die meende dat de voorzitter de getuige teveel aan het leiden was, overwoog het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de wet zich niet verzet tegen het stellen van gesloten vragen.7

 

Vergelijking wettelijke kaders

De Verenigde Staten kennen meer bewijsregels dan in het wetboek van strafvordering. Het verdient opmerking dat de uitlegover degevallenwaarinde voorzitter de getuige kan beletten antwoord te geven op een vraag (art. 293 lid 2) en regel 611 veel op elkaar lijken en daarmee hetzelfde doel lijken te dienen; een ordelijk getuigenverhoor gericht op waarheidsvinding waar de getuige in staat is en blijft de vragen te beantwoorden.

Er is geen reden te veronderstellen dat vragen die in de Verenigde Staten toegestaan zijn, niet toegestaan zijn in Nederland. De conclusie is dan ook dat alles wat bewijsrechtelijk is toegestaan in de VS ook toelaatbaar is in Nederland.

 

Wat typeert een cross examination?

Younger zegt in zijn college waarnaar hierboven al is verwezen, “de advocaat zingt de melodie van de ‘cross-examination’; alleen af en toe onderbroken door een enkele lettergreep van de getuige.”

In vrijwel alle cursussen worden twee aanbevelingen gedaan voor het doen van een goede ‘cross’: 1) stel uitsluitend gesloten vragen en 2) stel alleen vragen waarvan het antwoord al bekend is. Deze stijl van verhoren lijkt op het eerste gezicht niet dienstbaaraan de waarheidsvinding. Toch volgt uit regel 611(1)(A),  dat het doel van het verhoor waarheidsvinding is. Het verdient dus aandacht om te bespreken waarom de materiële waarheidsvinding gediend is bij deze wijze van verhoor.

De noodzaak van de confrontatie van getuigen is ten eerste in gelegenin het feitdat getuigen ook maar mensen zijn en fouten zullen maken. Iedere zaak heeft twee kanten (anders is er geen aanleiding om te procederen) dus beide kanten moeten aan bod komen. Het stellen van gesloten vragen stelt een procesdeelnemer in staat om de versie van zijn of haar cliënt voor te leggen aan de getuige a charge en stelt de getuige in staat die versie vandefeiten te accepteren of te verwerpen.

Een tweede argument voor het stellen van gesloten vragen is dat een getuige niet gunstig zal willen verklaren voor de zaak van ‘de tegenpartij’. Ook zal een getuige uit zichzelf niet willen vertellen waarom zijn of haar verklaring niet klopt. Door korte, stapsgewijze gesloten vragen kan de getuige, tegen zijn of haar wil in, toch gecontroleerd worden en naar een logische conclusie worden geleid.

De reden om alleen vragen te stellen waarvan het antwoord al bekend is, is erin gelegen dat de antwoorden wel in het voordeel van de zaak van cliënt moeten spreken. Als niet van meet af aan duidelijk is dat een antwoord de zaak niet gaat helpen, kan de vraag simpelweg beter niet gesteld worden. Bij een goede ‘cross’ worden dus alleen de feiten naar voren gebracht die kunnen leiden tot twijfel over de juistheid van de verklaring van de getuige of over de betrouwbaarheid van de getuige zelf.

Een fictief voorbeeld maakt deze argumenten het beste duidelijk.

De verdachte heeft een blanco strafblad maar zijn familie heeft een slechte naam. Zijn broers zijn eerder veroordeeld voor vermogensdelicten. Cliënt wordt verdacht van diefstal uit een bedrijfspand. Een wijkagent was op het moment van het delict op straat aanwezig en verklaart in het proces-verbaal van bevindingen dat hij een manspersoon zag weglopen uit het pand en hij deze voor 100% herkent als de verdachte. Als onderbouwing geeft hij aan dat hij de herkenning doet op basis van het feit dat hij de verdachte al jaren kent van zijn werk op straat en dat hij hem herkent aan zijn opvallende kledingstijl. De cliënt ontkent de beschuldiging en verklaart dat de agent ‘de pik om hem heeft’ en heeft zitten wachten op een goede reden om hem op te pakken.

Een ‘cross’ van de verbalisant zou er als volgt uit kunnen zien.

v: U heeft nog twee collega’s die in uw gebied werkzaam zijn als wijkagent?

a: Ja.

v: Uw collega’s hebben nooit  mutaties opgemaakt over cliënt?

a: Dat weet ik niet precies. Als u dat zeker weet, dan zal dat wel zo zijn.

v: Het klopt dat u roulerende diensten heeft? Soms heeft u dienst in de ochtend middag of avond?

a: Ja.

v: Dit is al ongeveer 3 jaar het geval?

a: Dat denk ik wel.

v: U weet dat mijn cliënt twee broers heeft?

a: Ja

v: En u heeft hen eerder opgepakt voor strafbare feiten?

a: Ja

v: De broers van cliënt zijn net zo groot als hij is?

a: Niet helemaal, er is verschil.

v: Op de ID-kaarten staat dat broer A 1,85m lang is en broer B is 1,83m. Cliënt is 1,79m. Kan dat kloppen?

a: Als dat er staat.

v: Dan zijn ze ongeveer even lang?

a: Zo kunt u dat zeggen.

v: Ze hebben ook hetzelfde postuur?

a: Ja.

v: En passen elkaars kleren dus?

a: Dat kan kloppen

v: De broers wonen in hetzelfde huis?

a: Ja.

v: Dus hebben toegang tot elkaars kleren?

a: Dat weet ik niet

v: Kan broer A de kleren van broer B aandoen?

a: Dat kan.

v: En u wist dit allemaal toen u het proces-verbaal van bevindingen schreef?

a: Ja, maar ik stond er toen niet bij stil.

v: En u bent 100% zeker dat uw herkenning klopt?

a: Ja.

v: Maakt u ruimte voor de mogelijkheid dat het minder dan 100% is?

a: Nee, ik ben helemaal zeker.

Met dit verhoor zijn twee voor de verdediging nuttige feiten vastgesteld. Ten eerste dat de verbalisant de cliënt vaker heeft verdacht van strafbare feiten maar dit nooit hard heeft kunnen maken. Dit terwijl zijn collega’s over een langere periode cliënt niet hebben verdacht. Dit duidt op een zekere vooringenomenheid bij de verbalisant. Ten tweede is duidelijk gemaakt dat de agent wist dat de broers van cliënt ook in staat waren de opvallende kleding te dragen. Ondanks die kennis blijft de agent bij het standpunt dat hij 100% zeker is. Dat is zonder meer onredelijk en geeft een nog verdere onderbouwing voor zijn vooringenomenheid. De laatste vraag kon twee kanten uit. Of de verbalisant achtte zichzelf minder zeker, wat zijn verklaring aan het wankelen zou brengen, of de uitkomst hier, de verbalisant lijkt sterker bevooroordeeld.  

Met dit voorbeeld wordt duidelijk dat het nuttig is om een belastende getuige te confronteren met al bekende feiten om zo een gunstige maar ook relevante verklaring te krijgen.

 

Toepasbaarheid in Nederland?

De vraag is dan in hoeverre een verhoor in deze stijl ook praktisch toepasbaar is in Nederland. Je zou namelijk kunnen stellen dat het horen van getuigen over zijn of haar eigen betrouwbaarheid of die van de verklaring zelf, overbodig zijn. Dit soort argumenten kunnen namelijk ook bij pleidooi worden gevoerd. In het geval van het fictieve voorbeeld hadden bijvoorbeeld de dienstroosters, de mutaties en ID-kaarten van de broers aan het dossier toegevoegd kunnen worden om hier vervolgens in het pleidooi op terug te komen.8

Hier zijn twee argumenten tegenin te brengen. Ten eerste zorgt een gesloten vraagstelling dat alle twijfel over wat de getuige bedoelt te zeggen wordt weggenomen. De processen-verbaal van het horen van getuige door de politie blinken niet altijd uit in duidelijkheid en precisie. Een getuigenverhoor kan helpen om de feiten die de verdediging of officier wensen te benadrukken zonder enige twijfel vast te stellen.

Ten tweede is het overtuigender als de getuige zélf toegeeft dat hij of zij twijfelt aande(eerdere)verklaring of komt de getuige minder betrouwbaar over als deze, geconfronteerd met feitenwaardoorde verklaring niet kan kloppen, ‘tegen de klippen op’ blijft vasthouden aan de verklaring.

 

Conclusie

Ondanks dat de Verenigde Staten en Nederland verschillende culturen van procesvoering kennen, zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen. Beide systemen beogen met het strafproces de materiële waarheid te vinden. Beide systemen geven de procesdeelnemers-advocaten en officieren-de gelegenheid belastende getuigen te ondervragen. Zowel de FRE als het wetboek van strafvordering geven de regie over welke vragen toegestaan zijn aan de rechter. In beide systemen bestaat ook de mogelijkheid dat de procesdeelnemer bezwaar maakt tegen een vraagstelling en de mogelijkheid de rechter te vragen om een oordeel op dit punt.  In de Verenigde Staten zijn deze regels in de rechtspraakalleenverder uitgekristalliseerd dan in Nederland en uitgebreider gecodificeerd tot bewijsregels.

De conclusie is dan dat Nederlandse advocaten en officieren van justitie praktische en nuttige handvatten kunnen vinden in de grote hoeveelheid beschikbare informatie over ‘cross examination’ die afkomstig is uit de Verenigde Staten. Omdat het recht en de rechtspraak over dit onderwerp verder ontwikkeldzijndan in Nederland kan kennisneming daarvan ook nuttige informatie geven voor zowel rechters als procesdeelnemersbijde beoordeling welke vragen wel en niet gesteld kunnen worden. Die kennis kan bijdragen aan het verder verhogen van de kwaliteit van het getuigenverhoor.

 

“Amerikaanse toestanden”;dat hoeft geen kritiek meer te zijn.

 

Michäel Glas is strafrechtadvocaat bij Glas en van den Heuvel Advocaten. De auteur dankt Allard Altena en Eline van Deijck voor de hulp bij het tot stand komen van dit artikel.


Bron afbeelding: https://www.freepik.com/free-photos-vectors/people. People vector created by vectorpouch - www.freepik.com

 

  1. https://archive.org/stream/artcrossexamina00wellgoog#page/n1/mode/2up
  2. https://www.youtube.com/watch?v=dBP2if0l-a
  3. Bijvoorbeeld: http://ivorentoga.nl/archieven/3321
  4. Uit gesprekken met enkele Amerikaanse advocaten volgt dat het in de praktijk zeldzaam is dat rechters vragen stellen.
  5. Tekst en Commentaar Strafvordering, Deventer, Kluwer, negende druk, artikel 293, commentaar 1, p. 1317
  6. HR 9 maart 2004, NJ 2004/263.
  7. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 21 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2845.
  8. Zie bijvoorbeeld de column van Rick Robroek http://ivorentoga.nl/archieven/2026.

Naam auteur: Michaël Glas
Geschreven op: 12 september 2019

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.