Beperkte kring van gerechtigden onder vuur

Een drietal jongeren blijkt in hun jeugd veelvuldig misbruikt, thuis en door een direct familielid. Strafrechtelijke veroordeling volgt net als schadevergoeding. Behalve om smartengeld gaat het om vergoeding vanwege studievertraging. Ook de ouders spreken de ontuchtpleger aan. Hun vordering betreft ook smartengeld, een door de vader misgelopen commissariaat en vakantiedagen ingezet om er, nadat alles aan het licht kwam, voor de kinderen te zijn.

De ouders stuiten echter op de beperkte kring van gerechtigden bij letsel- en overlijdensschade. Enkel de direct getroffene heeft recht op vergoeding van letselschade. Derden, naasten en werkgever bijvoorbeeld, hebben geen recht op vergoeding van schade die zij door het letsel lijden, behoudens een specifieke grondslag. Voor de werkgever biedt art. 6:107a zo recht op vergoeding van doorbetaald loon en reïntegratiekosten. Naasten moeten hun heil zoeken in art. 6:107 (verplaatste schade). Bij overlijden hebben enkel de nabestaanden genoemd in art. 6:108 recht op vergoeding van specifiek aangeduide schadeposten. Eén van de consequenties van het systeem is dat naasten geen recht op vergoeding van affectieschade hebben. Claimen op basis van een rechtstreeks jegens de naaste gepleegde onrechtmatige daad helpt niet. Méér dan art. 6:107, 107a en 108 al geven krijgt men niet althans niet voor zover het gaat om schade die is terug te voeren op letsel of overlijden van een ander. Pogingen om de grenzen van het systeem te verkennen leren dat het introduceren van smartengeld voor naasten buiten de rechtsvormende taak van de rechter valt (NJ 2002, 240 Kindertaxi) maar dat naasten ex art. 6:107 (verplaatste schade) vergoeding kunnen vorderen van vrije tijd, vakantiedagen of gederfde inkomsten in verband met verzorging, verpleging of hulp van de benadeelde mits het inschakelen van professionele hulp normaal en gebruikelijk zou zijn. In dat geval krijgt men maximaal de aldus bespaarde kosten (NJ 1999, 564 Johanna Kruidhof en NJ 2009, 387 Rijnstate/Reuvers).

De ouders uit ons voorbeeld krijgen nul op het rekest: recht op smartengeld hebben zij niet (affectieschade), het gemiste commissariaat is geen naar de vader verplaatste schade van de kinderen en de vakantiedagen die zij hebben ingezet om hun kinderen extra aandacht te geven worden niet vergoed, omdat het niet normaal en gebruikelijk is hiervoor professionele hulp in te schakelen (Rb. Midden-Nederland JA 2014, 64).

Gaat de wetgever naasten als deze ouders wellicht heil brengen? Op 28 mei jl. is het wetsvoorstel ‘Verruiming vergoeding van schade door letsel en overlijden’ openbaar gemaakt. Ter verbetering van de positie van slachtoffers en hun naasten wordt behalve een recht op vergoeding van affectieschade ook een regeling ter zake van verzorgingskosten ingevoerd en, mede naar aanleiding van de affaire Robert M., de mogelijkheid voor naasten zich te voegen in de strafrechtelijke procedure.

Wat betreft het smartengeld voor naasten doet de regering een nieuwe poging nadat het wetsvoorstel affectieschade in 2010 strandde in de Senaat. De kern is onaangetast: zowel bij ernstig blijvend letsel als bij overlijden is de aansprakelijke persoon ook smartengeld verschuldigd aan bepaalde naasten (uitbreiding art. 6:107 en 6:108). Zo wordt hen erkenning en genoegdoening geboden. Bij de bij AMvB vast te leggen bedragen denkt de regering niet langer aan €10.000 maar aan bedragen variërend van €12.500 tot 20.000. Differentiatie vindt langs drie lijnen plaats. Overlijden levert, cru gezegd, €2500 meer op dan ernstig blijvend letsel. Ook de aard van de relatie is van belang (thuiswonend kind, minder- of meerderjarig, levert €2500 meer op dan uitwonend meerderjarig kind), net als de aard van de gebeurtenis: een geweldsmisdrijf levert €2500 meer op dan andere gevallen (verkeersongeval, medische fout).

Nieuw is een regeling van de verzorgingskosten in art. 6:96 lid 2 letter d dat de gekwetste recht geeft op redelijke kosten gemaakt voor een redelijke verzorging, verpleging, begeleiding en huishoudelijke hulp. Hoewel de tekst anders suggereert, blijkt uit de MvT dat hier geen recht op ‘adequate’ zorg wordt bedoeld, integendeel. De benadeelde mag niet langer, zoals nu niet valt uit te sluiten, om financiële redenen (schadebeperking) worden gedwongen om zich buiten zijn gezin bijvoorbeeld in een verpleeghuis door professionele krachten te laten verzorgen. Hij mag kiezen voor verzorging in de eigen omgeving door naaste familie die daarvoor eventueel minder moet gaan werken. Ook hier wil de MvT helderheid verschaffen: waar naasten in het huidige recht, of ze nu vrije tijd, vakantiedagen of inkomen inleveren voor de verzorging van een dierbare, ex art. 6:107 nooit meer ontvangen dan de bespaarde kosten van een professional, komt nu ook een eventueel hoger inkomensverlies voor vergoeding in aanmerking. Beslissend is steeds de redelijkheid, niet langer of inschakelen van een professional normaal en gebruikelijk is.

Het is goed dat het regime van de beperkte kring van gerechtigden wordt aangepakt, maar the proof of the pudding is in the eating. Het helaas niet uitzonderlijke geval van kindermisbruik doet diverse vragen rijzen. Zo is voor vergoeding van affectieschade vereist dat sprake is van ernstig blijvend letsel bij de kinderen. Is daarvan sprake? De MvT wijst eerder in andere richting. Mocht deze hobbel toch genomen kunnen worden dan zou de vervolgvraag zijn of misbruik een geweldsmisdrijf is dat aanleiding geeft tot verhoging van het smartengeld voor de ouders. Dat zou men wel verwachten, maar zijn we zeker? Dat die verhoging vervolgens slechts €2500 bedraagt, lijkt onhoudbaar. Bij de extra aandacht voor de kinderen die de ouders vakantiedagen of inkomsten kost is hoogst twijfelachtig of dit wel valt onder de noemer van de in art. 6:96 lid 2d genoemde verzorging, verpleging of begeleiding.

Dit voorstel neemt de beperkte kring van gerechtigden terecht onder vuur, maar haalt alleen de eindstreep als het, zowel op het punt van verzorgingskosten als van affectieschade, wordt verduidelijkt en aangescherpt.1


Dit Vooraf is verschenen in NJB 2014/1270, afl. 26, p. 1727.


Bron afbeelding: jonginnl

 

1. Vergelijkbare kritiek bij Verheij, VR 2014, p. 218 e.v.



Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 30 juni 2014

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.