Armoede in het privaatrecht

Hebt gy noch geld, noch goed: gaa deze deur voorby.
Hebt gy ’t laatste, en mist gy ’t eerste, kom by my.
Geef pand, ik geef u geld. Waarom zoude ik u borgen?
Of is het u niet genoeg, dat gy van ’t mynen teert?
Meer eyst gey u pand terug, zo dient ge in tyds te zorgen,
Dat my myn hoofdsom, met de rente wederkeert.
Zo help ik u en my, en toon, aan de onderzoekers,
Van myn geheymen, t graf des eervergeeten woekers.

Dit is niet de taal van door commerciële zenders aangeboden programma’s als Hardcore Pawn, maar in de kern valt daarin weinig anders te bewonderen dan in dit versje van Balthazar Huydecoper uit 1740 dat de gevel van de Stadsbank van Lening te Amsterdam siert: pandbelening door mensen die geld nodig hebben en het langs andere weg kennelijk niet kunnen verkrijgen. Hardcore Pawn brengt een stukje Amerika in beeld – arme mensen in Detroit, meestal Afroamericans, die sieraden of gebruiksvoorwerpen willen belenen om snel te kunnen beschikken over relatief kleine geldbedragen – dat ver van ons afstaat. Voor ons is de lommerd een begrip uit de oude doos, zijn pandhuizen geschiedenis. En ook rechtsgeschiedenis. In de wereld van het financiële recht gaat het om stille verpanding, floating charges, derivaten, aandelenlease, maar toch al lang niet meer om pandbelening?

In Nederland zijn de pandhuizen na WO II min of meer verdwenen door de komst van gewone leningen voor consumenten. Sinds de millenniumwisseling zijn zij echter terug. Naast twee gemeentelijke pandhuizen in Den Haag en Amsterdam en de bekende zaakjes die goud en zilver inkopen met daarbij het recht van terugkoop als optie, gaat het om ‘ketens’ als Used Products en Cash Converters. Pandhuizen en terugkoopwinkels duiken vooral op in de Randstad in gemeenten met relatief veel huishoudens met een laag inkomen. Zij kiezen voor pandbelening om de huishoudpot aan te vullen, vaste lasten weg te werken of een onverwachte rekening te betalen. De terugkeer van de pandhuizen heeft, behalve met mindere economische tijden, ook te maken met de beperkingen die men ontmoet bij het verkrijgen van consumentenkrediet.1 Het gaat daarbij ook om wettelijke beperkingen die met de beste bedoelingen, juist ter bescherming van diegenen die krediet zoeken, worden gesteld.

Ook de meeste civilisten is ontgaan dat ons BW sinds 1 juli 2014 in titel 7.2D een moderne regeling kent van de overeenkomst van pandbelening waarbij het pandhuis aan de pandbelener een beleensom ter beschikking stelt en de pandbelener daartegenover een roerende zaak in de macht van het pandhuis brengt. Partijen kiezen daarbij ofwel voor een bijzonder vuistpandrecht van het pandhuis dat eigenaar van de beleende zaak wordt indien terugbetaling van beleensom en pandbeleningsvergoeding binnen de beleentermijn uitblijft danwel voor ‘verkoop met recht op terugkoop’ waarbij het pandhuis meteen eigenaar wordt. Steeds moet de beleende zaak worden teruggegeven indien de pandbelener binnen de beleentermijn zowel beleensom als pandbeleningsvergoeding voldoet. Anders dan bij consumptief krediet is er geen kredietrelatie, geen betalingsverplichting, geen restschuld en ook geen BKR-toetsing. Daar zit de aantrekkingskracht, maar misbruik ligt op de loer. De dwingendrechtelijke regeling beoogt juist bescherming van consumenten in een kwetsbare financiële positie en met weinig kennis van zaken. Zij kent een vormvoorschrift en informatieverplichtingen en stelt regels o.m. met betrekking tot beleentermijn en beleningsvergoeding. Pandbeleners kunnen deze bescherming zelf inroepen, maar niet onbelangrijk is dat de Autoriteit Consument en Markt belast is met toezicht en handhaving.2

Is het overdreven om de lommerd anno 2016 weer onder de aandacht van het brede juristenpubliek te brengen? Realiteit is dat ook in ons land de armoede groeit.3 Het Nibud constateert in Kans op financiële problemen 2016 dat steeds meer huishoudens betalingsachterstanden hebben en niet verstandig omgaan met geld. Velen kunnen in grote problemen komen. Het kabinet zet in op voorkomen én bestrijden van armoede en schulden.4 

Kan ook het privaatrecht iets bijdragen? Vooropgesteld zij dat voor overspannen verwachtingen geen plaats is, al was het maar omdat bescherming een prijs heeft en die vaak ook wordt betaald door diegenen om wie het gaat: letterlijk (prijsverhoging) én figuurlijk. Zo heeft de regulering bij consumentenkrediet eraan bijgedragen dat pandbelening nu een bloei doormaakt. En is dat vooruitgang? Dat vele avonturen tegenwoordig in een digitale werkelijkheid starten, maakt het niet eenvoudiger. Vroeger kon je zonder geld op zak niets aanschaffen. Nu ‘shoppen’ en gokken we online, betalen we met creditcard en mogen velen rood staan. Een nationale aanpak heeft dan weinig effect. Vanuit dit perspectief springt een bepaling als art. 6:230u BW in het oog. Deze bepaling met EU-achtergrond verbiedt een handelaar een consument een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst buiten de verkoopruimte te doen indien hij kan vermoeden dat de contractuele verplichtingen de draagkracht van de consument te boven gaan.5

Dat het privaatrecht weinig kan betekenen, rechtvaardigt niet dat civilisten wegkijken. Zo verdient het voorstel om zorgplichten van aanbieders van financiële producten aldus aan te scherpen dat zij oog moeten hebben voor een mogelijke armoedeval bij afnemers serieuze overweging.6 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ‘in de west’ neemt al aan dat op financiële instellingen vanwege hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht bij het verstrekken van krediet aan particulieren rust.7 

Wanneer extra bescherming weloverwogen (na onderzoek op werkelijke meerwaarde én ongewenste neveneffecten) plaatsvindt, gaat dat ten koste van contractvrijheid. So what?

 

Dit Vooraf is ook verschenen in NJB 2016/2058, afl. 40, p. 2959.

 

  1. Zie Pandhuizen in Nederland, Research en beleid, Zoetermeer 2009.
  2. Spanjaard, Contracteren 2013, p. 145 verwacht niet veel van regeling en ACM. Positiever is Bollen, Grootboek (De Groot-bundel), Deventer 2016, p. 89 e.v.
  3. Een lang tekort. Langdurige armoede in Nederland, SCP, Den Haag 2016.
  4. Kamerstukken II 2015/16, 24 515, nr. 336, p. 2 e.v.
  5. Zie reeds Castermans, Ars Aequi 2016, p. 576-577.
  6. In deze zin Beumers en Castermans, Een kwart eeuw (H.J. Snijders-bundel), Deventer 2016, p. 56 en 60.
  7. GHvJ 22 maart 2016, JOR 2016/132 m.nt. Frielink.

 

 

Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 14 november 2016

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.