Stb. 2006, 330 Strafbeschikking

Wet van 7-7-2006, Stb. 2006, 330

Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening)

—De officier van justitie krijgt de bevoegdheid strafzaken zelf af te doen door het nemen van een strafbeschikking. Deze buitengerechtelijke afdoening van strafzaken wordt niet langer vormgegeven als het voorkomen van strafvervolging, maar als een daad van strafvervolging. Een strafbeschikking berust op een schuldvaststelling en houdt, anders dan een transactie, geen overeenkomst of dading in. Het opleggen van vrijheidsbenemende straffen blijft voorbehouden aan de rechter. De wet die dit regelt is op 7 juli 2006 in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2006, 330) en zal op 1 maart 2007 in werking treden. In de nieuwe regeling, die gebaseerd is op het project Strafvordering 2001, wordt het uitgangspunt losgelaten dat alleen de strafrechter een straf mag opleggen en de schuld van de verdachte mag vaststellen. Dat is een belangrijke wijziging ten opzichte van het geldend strafprocesrecht. De centrale overweging daarbij is dat schaarse rechterlijke capaciteit alleen in die gevallen wordt gebruikt waarin dat, mede gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, noodzakelijk is.

Net als in het bestuursrecht, wordt nu ook in het strafrecht het monopolie van de rechter doorbroken om straffen op te leggen voor de lichtere strafbare feiten. De officier van justitie kan als straf een geldboete opleggen, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden of een taakstraf met een maximum van 180 uur. De strafbeschikking kan ook bepaalde voorwaarden bevatten zoals deelname aan een afkickprogramma en een straat- of contactverbod. 

De nieuwe regeling, die van toepassing is op delicten waar een gevangenisstraf van maximaal zes jaar op staat, zorgt ervoor dat het OM voor de tenuitvoerlegging niet meer afhankelijk is van de medewerking van de verdachte. Nu moet de officier van justitie als de verdachte weigert de transactie te betalen of helemaal niet reageert op een transactievoorstel de verdachte dagvaarden en volgt na veroordeling tenuitvoerlegging van de straf. Dit is tijdrovend, vooral als het eenvoudige, veelvoorkomende strafzaken betreft waar de verdachte dikwijls verstek laat gaan.

De situatie verandert ook voor de verdachte. Op dit moment brengt het OM zijn zaak nog voor de rechter als hij een transactievoorstel negeert. Bij de strafbeschikking is dat niet meer het geval. Als de verdachte wil dat de rechter een oordeel velt, moet hij zelf het initiatief nemen en verzet aantekenen. In de nieuwe wet van minister Donner krijgt het OM een zelfstandige sanctiebevoegdheid. Als de verdachte weigert te betalen en verder geen verzet instelt kan de officier van justitie het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) met de tenuitvoerlegging van de sanctie belasten. Daar staat tegenover dat beroep op de strafrechter in alle gevallen mogelijk blijft.

Naarmate de sanctie voor de burger ingrijpender is, zijn er in de nieuwe wet meer waarborgen opgenomen voor een zorgvuldige beslissing. Vandaar dat de verdachte vóór het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid, een taakstraf en een hoge geldboete de gelegenheid krijgt om te worden gehoord. Als betrokkene zich niet houdt aan de rijontzegging, kan hij worden vervolgd voor het rijden tijdens een rijontzegging. De verdachte moet ook worden gehoord voordat voorwaarden zoals een afkickprogramma of een straat- of contactverbod worden opgelegd.

Ook de politietransactie wordt omgezet naar een strafbeschikking. Opsporingsambtenaren krijgen de bevoegdheid een lage geldboete op te leggen, in de gevallen waarin zij nu een politietransactie mogen aanbieden. De vaste tarieven die daarbij gelden worden, net als bij de politietransactie, vastgelegd in richtlijnen van het College van procureurs-generaal. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden opgelegd. Verder mogen ook gemeenten in sommige gevallen overtredingen in de openbare ruimte met een strafbeschikking afdoen.

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
 

Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 21-12-2007, Stb. 2008, 4

De Wet OM-afdoening treedt (Stb. 2006, 330) voor een deel, in werking met ingang van 1 februari 2008

—Het Openbaar Ministerie krijgt met de invoering van de strafbeschikking de mogelijkheid om lichte strafbare feiten zelf af te doen, zonder tussenkomst van de rechter. Deze buitengerechtelijke afdoening van strafzaken wordt niet langer vormgegeven als het voorkomen van strafvervolging, maar als een daad van strafvervolging. Een strafbeschikking berust op een schuldvaststelling en houdt anders dan de transactie, geen overeenkomst of dading in. Het is de bedoeling dat deze bevoegdheid een substantiële vermindering van de werklast van rechters gaat opleveren.

Het OM kan de strafbeschikking opleggen voor overtredingen of misdrijven waarop een maximumstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De belangrijkste straffen of maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn:

  • een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uur;
  • een geldboete;
  • ontzegging van de rijbevoegdheid voor maximaal zes maanden;
  • onttrekking aan het verkeer van gevaarlijke voorwerpen.

Voordat een taakstraf of ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, moet de verdachte worden gehoord. Voor het opleggen van een boete hoger dan € 2.250 dient dat horen bovendien in het bijzijn van een advocaat van de verdachte plaats te vinden. Het wordt niet mogelijk bij strafbeschikking een vrijheidsstraf op te leggen. Een dergelijke ingrijpende sanctie behoort slechts te worden opgelegd door de rechter.
Indien een verdachte het niet eens is met een strafbeschikking, kan hij in verzet gaan bij de strafrechter. Dan volgt een gewone volledige behandeling van de zaak op zitting. een substantieel kleiner deel van de verdachten verzet zal aantekenen tegen een strafbeschikking dan het aandeel dat onder huidig recht de transactie niet betaalt.
 

Besluit van 20-6-2011, Stb. 2011, 308

De artikelen IV en X van de Wet OMafdoening (Stb. 2006, 330) treden in werking met ingang van 1 juli 2011.
 

Inwerkingtredingsbesluit van 19-03-2013, Stb. 2013, 107

Besluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel R, van de Wet OM-afdoening en artikel 5.1 van het Besluit OM-afdoening (Stb. 2006, 330)

—Deze het vervallen van de politietransactie (art. 74c WvSr) betreffende artikelen treden in werking met ingang van 1 april 2013.
 

Kamerstukken

NJB Vlog

NJB Vlog is onlangs van start gegaan op njb.nl en You Tube. In korte interviews geven auteurs een toelichting op hun artikel en motivatie waarom ze in de pen klommen. 

Afbeelding

Deze week spreken Maurits Barendrecht, Jacques de Waart & Frederique van Zomeren over het artikel Van ‘in gebreke’ naar ‘in verbinding’. Over de kanteling in het denken over conflictbeslechting en waar de wetgever deze ontwikkeling zou moeten ondersteunen, dat zij schreven samen met Peter Ingelse en Fred Schonewille. 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.