Hof van Justitie: 'echtgenoot' van een Unieburger ziet ook op echtgenoten van hetzelfde geslacht

Geschreven door: Redactie op

Het begrip 'echtgenoot' in de zin van de Unierechtelijke bepalingen betreffende het recht van vrij verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden ziet ook op echtgenoten van hetzelfde geslacht. De lidstaten bepalen weliswaar zelf of zij huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht toestaan, maar mogen een Unieburger niet beletten zijn recht van vrij verblijf uit te oefenen door zijn echtgenoot van hetzelfde geslacht, die derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht op hun grondgebied te weigeren. 

Relu Adrian Coman – een Roemeen – en Robert Clabourn Hamilton – een Amerikaan – hebben vier jaar samengewoond in de Verenigde Staten. Vervolgens zijn zij in 2010 te Brussel met elkaar gehuwd. In december 2012 hebben Coman en zijn echtgenoot de Roemeense autoriteiten gevraagd volgens welke procedure en onder welke voorwaarden Hamilton het recht kon verkrijgen om als familielid van Coman meer dan drie maanden legaal in Roemenië te verblijven. Hun verzoek om inlichtingen was gebaseerd op de richtlijn betreffende de uitoefening van het recht van vrij verkeer1 , die het mogelijk maakt voor de echtgenoot van een burger van de Unie die van dit recht heeft gebruikgemaakt om bij deze laatste in diens lidstaat van verblijf te gaan wonen.

De Roemeense autoriteiten hebben Coman en Hamilton in antwoord op hun verzoek meegedeeld dat Hamilton slechts een verblijfsrecht van drie maanden geniet, met name omdat hij niet als 'echtgenoot' van een burger van de Unie kan worden aangemerkt in Roemenië, dat huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht ('homohuwelijken') niet erkent.

Daarop zijn Coman en Hamilton naar de Roemeense rechter gestapt met het verzoek vast te stellen dat sprake is van discriminatie op grond van seksuele geaardheid met betrekking tot de uitoefening van het recht van vrij verkeer in de Unie. In het kader van dit geding is een exceptie van ongrondwettigheid opgeworpen bij de Curtea Constitu?ionala (grondwettelijk hof, Roemenië), die het Hof de vraag heeft gesteld of Hamilton valt onder het begrip 'echtgenoot' van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en, zo ja, of hem bijgevolg een duurzaam verblijfsrecht in Roemenië moet worden toegekend.

Het Hof herinnert er in zijn arrest van vandaag allereerst aan dat de richtlijn betreffende de uitoefening van het recht van vrij verkeer uitsluitend de voorwaarden regelt voor binnenkomst en verblijf van een burger van de Unie in andere lidstaten dan die waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat derdelanders die familieleden van een burger van de Unie zijn, in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit geen afgeleid verblijfsrecht aan deze richtlijn kunnen ontlenen. Hamilton kan dus op grond van deze richtlijn geen afgeleid verblijfsrecht verkrijgen in Roemenië, de lidstaat waarvan Coman de nationaliteit heeft. Het Hof wijst er niettemin op dat derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie en in de lidstaat waarvan deze burger de nationaliteit bezit, niet in aanmerking komen voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van de richtlijn, in bepaalde gevallen een dergelijk recht kunnen ontlenen aan artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (deze bepaling verleent alle burgers van de Unie rechtstreeks het fundamentele en individuele recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten).

Het Hof benadrukt daarbij dat de voorwaarden voor toekenning van dit afgeleide verblijfsrecht niet strenger mogen zijn dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld voor de toekenning van een dergelijk verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

Het Hof stelt vast dat het begrip 'echtgenoot' – dat ziet op een persoon die met een andere persoon in het huwelijk is verbonden – in het kader van de richtlijn betreffende de uitoefening van het recht van vrij verkeer geslachtsneutraal is, en dus ook de echtgenoot van hetzelfde geslacht van een burger van de Unie kan omvatten. De staat van personen, waarvan de regels inzake het huwelijk deel uitmaken, behoort evenwel tot de bevoegdheid van de lidstaten en het Unierecht laat deze bevoegdheid onverlet. De lidstaten zijn dus vrij om het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht al dan niet toe te staan. Verder eerbiedigt de Unie de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren.

Volgens het Hof kan de weigering van een lidstaat om het in een andere lidstaat wettig gesloten huwelijk tussen een derdelander en een burger van de Unie van hetzelfde geslacht te erkennen enkel met het doel een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen aan die derdelander, de Unieburger evenwel belemmeren in de uitoefening van zijn recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Ten gevolge van een dergelijke weigering zou de vrijheid van verkeer namelijk van lidstaat tot lidstaat een verschillende invulling krijgen, naargelang het nationale recht huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht al dan niet erkent.

Het is juist, zo vervolgt het Hof, dat aan het vrije verkeer van personen beperkingen kunnen worden gesteld die geen verband houden met de nationaliteit van de betrokken personen, voor zover die beperkingen zijn gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel.

In dit verband moet het begrip 'openbare orde', dat in casu wordt aangevoerd om een beperking van het recht van vrij verkeer te rechtvaardigen, echter strikt worden opgevat. De draagwijdte ervan kan dus niet zonder controle van de instellingen van de Unie door elk van de lidstaten eenzijdig worden bepaald. De verplichting voor een lidstaat om een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht dat in een andere lidstaat overeenkomstig het recht daarvan is gesloten, te erkennen enkel met het oog op toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander, doet geen afbreuk aan het instituut van het huwelijk in eerstbedoelde lidstaat. Meer bepaald houdt deze verplichting niet in dat die lidstaat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in zijn wetgeving moet opnemen. Bovendien druist een dergelijke erkenningsverplichting, enkel met het doel een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander, niet in tegen de nationale identiteit en vormt zij geen bedreiging voor de openbare orde van de lidstaat in kwestie.

Ten slotte oordeelt het Hof dat een nationale maatregel die de uitoefening van het vrije verkeer van personen kan belemmeren, slechts kan worden gerechtvaardigd indien hij in overeenstemming is met de grondrechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met betrekking tot het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, dat wordt gegarandeerd door artikel 7 van het Handvest, wijst het Hof erop dat ook volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de relatie van een homoseksueel paar net zo goed onder de begrippen 'privéleven' en 'familie- en gezinsleven' kan vallen als die van een heteroseksueel paar dat zich in dezelfde situatie bevindt.

 

(De volledige tekst van het arrest is hier te raadplegen.)

 

  1. Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35, en PB 2018, L 94, blz. 32). 

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 7 juni 2018

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

NJB Vlog

NJB Vlog is onlangs van start gegaan op njb.nl en You Tube. In korte interviews geven auteurs een toelichting op hun artikel en motivatie waarom ze in de pen klommen. 

Afbeelding

Marc Wever en Bert Marseille over hun artikel Winstkans, finaliteit en snelheid in het bestuursrechtelijke hoger beroep revisited. Intrigerend, voorspelbaar en teleurstellend.




Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.