A court with no face and no place

Het thema van de jaarvergadering van de NJV van vorig jaar was “Afscheid van de klassieke procedure?” Daarbij werden de civiele, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures onder de loep genomen en op hun waarde en toekomstbestendigheid getoetst. Uiteraard kwam ook de digitalisering van de rechtspraak aan de orde, maar dat alles binnen de rechtspraak zelf. Het woord e-Court komt in de preadviezen niet voor. Toch is het juist deze vorm van private ‘rechtspraak’ die de afgelopen tijd als concurrent van de reguliere civiele rechtspraak stof heeft doen opwaaien. 

E-Court is geen rechtbank maar een private digitale arbitrage-instelling die juridische conflicten geheel online en snel tegen een relatief lage vergoeding afwikkelt.1 Het zijn meestal incassogeschillen en onder de eisende partijen die voor de e-Court-procedure kiezen, kunnen inmiddels grote ondernemingen zoals bol.com en de zorgverzekeraars worden gerekend, die de afdoening via e-Court in hun algemene voorwaarden hebben opgenomen. Volgens de berichtgeving in de media produceert e-Court tienduizenden vonnissen per jaar. De discussie over e-Court is aangewakkerd door een artikel in de Groene Amsterdammer van het journalisten-platform Investico van 17 januari 2018 met de titel ‘Vonnis te koop’.2 Daaruit komen als belangrijkste bezwaren naar voren dat e-Court zich profileert als rechtbank, veel gedaagden sociaal kwetsbaar en niet digitaal vaardig zijn, niet bekend is wie de arbiters zijn, de beslissing door een robotrechter wordt genomen als geen verweer wordt gevoerd, de (nauwelijks gemotiveerde) uitspraken niet worden gepubliceerd en gedaagden niet goed worden geïnformeerd dat zij ook kunnen kiezen om voor de kantonrechter te worden gedaagd. Die keuze is trouwens lastig te maken want hoe de e-Courtvonnissen tot stand komen blijft duister. Deze kritiek heeft ertoe geleid dat e-Court vanaf februari 2018 aan procespartijen de naam van de arbiter bekend maakt en op haar website zijn nu zes uitspraken uit 2017 gepubliceerd. Volgens het proces-reglement3 begint een zaak met een schriftelijke oproeping door de eisende partij waarna de gedaagde bij e-Court moet inloggen om te kunnen procederen. Het vonnis wordt ‘gepubliceerd’ in het online procesdossier en kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor de executie wordt verlof bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ex art. 1062 Rv gevraagd. En dat laatste is de achilleshiel van e-Court. De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) heeft na een eigen onderzoek voorzieningenrechters opgeroepen om een exequatur op basis van vonnissen van arbitrage-instellingen als e-Court te weigeren en het Landelijk Overleg Vakgroep Civiel en Kanton van de rechtbanken heeft in februari dit jaar besloten hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Het gevolg is dat voorlopig geen rechtbank meer exequaturs zal verlenen. E-Court ligt nu plat en heeft aangekondigd de staat aansprakelijk te houden voor de schade en prejudiciële vragen te doen stellen aan het HvJEU. De prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn nog niet bekend, maar er doemen principiële vragen op. De rechtspraak heeft onder KEI de keuze gemaakt voor een in beginsel fysieke en mondelinge behandeling van civiele procedures waarin de rechtzoekenden door de rechter gezien en gehoord worden en waarbij de rechter een gezicht heeft: ‘court is a place’…and a face.4 Met digitalisering wordt – tot nu toe – gepoogd de procedure te faciliteren, niet de rechterlijke besluitvorming te vervangen. Zelfs bij routinezaken is dat ook niet mogelijk, omdat het zelden voorkomt dat zowel de feiten als de juridische kwalificatie daarvan volledig automatisch kunnen worden vastgesteld.5 Het is niet voor niets dat art. 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG, EU 2016/679), die op 25 mei aanstaande in werking treedt, bepaalt dat burgers het recht hebben niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit, waaraan voor hen rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hen anderszins in aanmerkelijke mate treft, tenzij zij daarin uitdrukkelijk toestemmen (lid 2c) en er voorzien wordt in een recht op menselijke tussenkomst, het recht om een standpunt kenbaar te maken en het recht het besluit aan te vechten (lid 3).

Maar wat nu als mensen, ervan uitgaande dat zij daarover goed worden voorgelicht – wat nog een probleem op zichzelf is, uitdrukkelijk toestemming geven dat hun zaak door e-Court wordt afgedaan, ook al gebeurt dat door een robotrechter, en dus een arbitrageovereenkomst aangaan? Bijvoorbeeld omdat dat sneller en goedkoper zou zijn? En als e-Court tevens voldoet aan de vereisten van art. 22 AVG? Kan de voorzieningenrechter dan een exequatur weigeren? Dat is op grond van art. 1063 Rv slechts mogelijk als er na een summier onderzoek blijkt dat het aannemelijk is dat het arbitrale vonnis zal worden vernietigd of herroepen op een van de in art. 1065 Rv respectievelijk 1068 Rv (het vonnis berust op bedrog c.q. valse bescheiden) genoemde gronden. Vernietiging op grond van art. 1065 Rv is mogelijk als een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, het scheidsgerecht niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels is samengesteld of zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, het vonnis niet is ondertekend of met redenen is omkleed of de manier waarop het tot stand is gekomen in strijd is met de openbare orde. Het zullen vooral deze aspecten zijn waar de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad vermoedelijk betrekking op hebben zoals: wat moet een summier onderzoek inhouden? Wanneer is de arbitrageovereenkomst geldig c.q. hoe moet de toestemming tot stand komen? Welke vereisten gelden voor de motivering van vonnissen?

Fundamenteler is echter de achterliggende vraag: willen we genoegen nemen met de beperkte toets van de exequatur-rechter als menselijke beslisser en daarmee e-Court systemen faciliteren? Ik hoop innig van niet.

 

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2018/586, afl. 12. 

 

  1. www.e-court.nl. Er bestaan ook andere gelijksoortige instellingen zie www.digitrage.nl en www.arbitragerechtspraak.nl.
  2. www.geheimerechtbank.nl.
  3. http://www.e-court.nl/wp-content/uploads/2018/03/Procesreglement-e-Court-2017_20180201.pdf
  4. Ontleend aan het NJV-preadvies van L.M. Coenraad en P. Ingelse, 2017, p. 67 en 113.
  5. Zie H. Prakken, ‘Komt de robotrechter er aan?’, NJB 2018/207, afl. 4.
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 19 maart 2018

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

NJB Vlog

NJB Vlog is onlangs van start gegaan op njb.nl en You Tube. In korte interviews geven auteurs een toelichting op hun artikel en motivatie waarom ze in de pen klommen. 

Afbeelding

Deze week: Bart Bierens over zijn artikel Veranderend betaalgedrag vanuit een juridisch perspectief. Kan het contant geld al worden afgeschaft? 




Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.