De traagheid van het civiele geding: over doorlooptijden en perverse prikkels

Lange doorlooptijden van gerechtelijke procedures vormen een groeiend probleem. Voor oplossingen kijkt men in de eerste plaats naar de rechterlijke macht. Maar is dat terecht? Tot nu toe is met maatregelen om de organisatie efficiënter te maken geen overtuigend resultaat geboekt. Er moet meer aandacht komen voor de instroom van zaken. Om de rechterlijke macht in staat te stellen haar kerntaak naar behoren uit te voeren is van cruciaal belang dat de instroom van zaken die er niet toe doen aan banden wordt gelegd. Daarbij is een belangrijke rol voor de advocatuur weggelegd.

Dit artikel verscheen in NJB 2018/260, afl. 5, p. 342 e.v. en kunt u nu ook hier in zijn geheel lezen. 

In NJB 2018, afl. 10 verschijnen twee reacties op dit artikel en een naschrift van de auteur, die hieronder volledigheidshalve ook alvast worden vermeld.

 

Afbeelding: © Jutta Kuss / Getty Images

Naam auteur: Edo Groenewald
Geschreven op: 27 februari 2018

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Philip Bouman schreef op :
De kwaliteit van de rechtsbijstand is erbarmelijk slecht. Naar mijn ruwe schatting mist meer dan 80% van de advocaten de analytische vaardigheden om een gerechtelijke procedure goed aan te pakken. Om iets te bewijzen, of dat nu gerechtelijk is, technisch of wetenschappelijk, dan zijn dergelijke vaardigheden onontbeerlijk. Zonder die vaardigheden lukt dat niet en sterker nog zelf niet om het juiste te stellen, laat staan indien nodig te bewijzen. Zoals verschillende hoogleraren rechtspsychologie (zoals Rasin, Wagenaar, van Koppen, etc.) herhaaldelijk hebben aangegeven bezitten de studenten rechtsgeleerdheid die doorgaans niet en wordt er tijdens de studie ook niets gedaan om die te verkrijgen.
IK heb te maken gehad met een aantal advocaten en stuk voor stuk hebben die gefaald. Een top 20 persoons- en familierecht maakte zeer basale fouten, een expert op verdelingen keek ook niet verder dan zijn neus lang was, andere advocaten maakten zich er met een Jantje van Leiden vanaf en gaven slechts aandacht aan het factureren, leugens en bedrog (aanpassen van documenten) werd tuchtrechtelijk als binnen de vrijheid van handelen van de advocaat van de wederpartij beoordeeld, een advocaat die werd uitgelegd hoe de gemaakte fouten in een andere procedure konden worden gecorrigeerd koos er op het laatste moment voor om een andere aanpak te volgen, etc. Dat kan allemaal met de advocaat als ‘dominus litis’.
Dit is ook allemaal bekend binnen de rechtspraak want er zijn verschillende hoogleraren die de slechte rechtsbijstand hebben genoemd in hun publicaties.
Met de bewering dat de verplichte procesvertegenwoordiging in civiele zaken nodig is om de kwaliteit van de rechtsbijstand te waarborgen, maken de juristen zich volledig ongeloofwaardig. Waarom is die verplichting er dan niet in bestuursrecht zaken, aangaande verblijfsvergunningen, en strafrechtzaken, aangaande misdaden, waarbij de belangen veel groter zijn er dan niet?
De verplichting van een advocaat in civiele zaken kan alleen met procedeerontmoediging te maken hebben, maar dat is zo wel in strijd met art. 6 EVRM. Wat pervers is, is de verplichting voor onkundige rechtsbijstand, die dan ook nog eens ongelimiteerd mag factureren aan de zelf betalende cliënten. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft de declaraties van advocaten die zij moeten betalen wel aan banden gelegd met het maximum van zo’n Euro 2000 per zaak, maar als de zelf betalende cliënt klaagt over voor dezelfde procedure Euro 20.000 te hebben moeten betalen wordt dat tuchtrechtelijk niet als overmatig beoordeeld.
Frits Jansen schreef op :
Het verbaast me dat het artikel geen aandacht besteedt aan het opzettelijk rekken van procedures door partijen die daar belang bij hebben, bij voorbeeld als de wederpartij minder goed bij kas is. Dit heet het zogenaamde kapotprocederen. If you can't beat them, sue them, en zorg er dan voor dat de wederpartij hooguit een pyrrhus-overwinning behaalt.
Natuurlijk zijn er gevallen waarin "misbruik van procesrecht" met succes bestreden kan worden, maar bijv. de Italiaanse Torpedo is nog steeds populair, met name in octrooizaken, en valt alleen effectief te bestrijden met medewerking van vreemde overheden.
Juist om het "kapotprocederen" te bestrijden zouden de griffierechten de werkelijke kosten moeten dekken, of zelfs een "winstopslag" moeten omvatten. Voor wie zo'n zaak start zijn het gewoon bedrijfskosten.
Edo Groenewald schreef op :

Naschrift

In haar reactie gaat De Wolff voorbij aan de kern van mijn betoog. Ik poog een van de oorzaken van de lange doorlooptijden (die een smet op de kwaliteit van de rechtspraak werpen) mede te verklaren uit een gebrek aan kwaliteit bij de rechtshulp.

De kwaliteit van de rechtshulp laat op twee punten te wensen over. Ten eerste worden te veel zaken bij de feitenrechter aangebracht in verband met de perverse prikkel in het verdienmodel van de advocatuur: ‘uurtje factuurtje’. In de tweede plaats worden zaken onoordeelkundig aangebracht als gevolg van onvoldoende kennis van het materiële recht (gebrek aan specialisatie). Voor de onderbouwing van dit laatste beroep ik mij op de logica: het recht is zo complex geworden dat men onmogelijk op meer dan enkele terreinen van het materiële recht over voldoende deskundigheid kan beschikken. Voor de onderbouwing van het eerste verwijs ik naar de commissie Van der Meer die bij de gefinancierde rechtsbijstand een perverse prikkel ziet om te procederen in arbeids-, huur-, en echtscheidingszaken, hetgeen meer zou lonen dan tijd besteden aan schikkingspogingen.1

Voorts wekt De Wolff ten onrechte de indruk dat ik zou willen tornen aan het access-to-justice principe.2 Waar het mij om gaat is dat door de advocatuur van dat beginsel geen oneigenlijk gebruik zou mogen worden gemaakt, hetzij ten eigen bate, hetzij bij gebrek aan deskundigheid.
De afname van het aantal klachten en gegrondverklaringen de laatste jaren zegt niets over de vraag of tuchtrechtspraak wel of geen adequaat middel biedt om gebrek aan deskundigheid van advocaten te bestrijden. Daartoe is mijns inziens specialisatie de enige weg.

Van Tongeren zou ik willen voorhouden dat er op zijn minst drie problemen spelen: de rechterlijke macht is overbelast, het is de vraag of rechtspleging in alle gevallen wel de beste methode is voor conflictoplossing en er is het probleem van het bedrijfsmodel van éénpitters en kleine kantoren (van minder dan zes advocaten) dat onvoldoende zekerheid lijkt te bieden voor de toekomst.

Er is een systeemwijziging nodig waardoor zaken die er niet toe doen minder worden aangebracht. Dat zijn onder meer futiele en kansloze zaken. Dat wil niet zeggen dat die zaken er voor de desbetreffende cliënten niet toe zouden doen, het gaat wel degelijk om conflicten die opgelost moeten worden. Maar niet door inschakeling van de kostbare en reeds overbelaste rechterlijke macht. Alternatieve mogelijkheden van conflictoplossing, zoals mediation, vrederechters en buurtbemiddelaars, kunnen hier een rol spelen.

Er komt nog bij dat bovengenoemd bedrijfsmodel onder druk staat door concurrentie, innovatie en de beperkte mogelijkheden voor gefinancierde rechtsbijstand. Om zich te onderscheiden ligt het voor kleine kantoren voor de hand waarde toe te voegen voor de cliënt. Specialisatie op enig rechtsgebied lijkt mij daarvoor een adequaat middel. Bijkomend voordeel: de door die specialisten aanhangig gemaakte rechtsgedingen zullen beter onderbouwd zijn. Met als gevolg kortere doorlooptijden.

Mr. dr. Th. Groenewald is oud-advocaat en oud-raadsheer-plaatsvervanger in het Hof ’s Hertogenbosch. Dit naschrift verschijnt ook in NJB 2018, afl. 10. 

 

  1. Commissie Van der Meer, Andere Tijden; Evaluatie puntentoekenning in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, 2017, p. 79.
  2. Artikel 6 EVRM.

 

 

Willem van Tongeren schreef op :

The first thing we do, let's kill all the lawyers

In het NJB van 2 februari 2018 (NJB 2018/260, afl. 5, pag. 342 e.v.) is een artikel gepubliceerd van mr. Dr. Th. Groenewald met als titel: 'De traagheid van het civiele geding'.

Als je de titel leest dan denk je dat het een aankondiging is van een beschouwing over een herziening van het procesrecht die de traagheid tegengaat dan wel over wettelijke of jurisprudentiële belemmeringen enz., die de traagheid veroorzaken. Al vlot blijkt dat de advocatuur op de korrel wordt genomen als veroorzaakster van de traagheid. Het artikel begint nog wel ‘aardig’ en wil (onder meer) de rol van de advocatuur bespreekbaar maken bij het aanbrengen van futiele en kansloze zaken. Even verder op in het artikel wordt gesteld dat het geen geheim is dat tal van dat soort zaken, dat wil zeggen zaken die er niet toe doen, namelijk bagatel zaken die niet in het belang van een cliënt zijn en kansloze zaken die een advocaat als deskundige niet zou moeten aanspannen, wordt aangebracht. Verderop schrijft mr. Groenewald dat wanneer bij een klein kantoor, dat opereert aan de onderkant van de markt, dat in belangrijke mate afhankelijk is van toevoegingen en zijn broek niet of nauwelijks kan ophouden, een zaak binnenkomt, betalend of toegevoegd, de neiging bestaat er vol voor te gaan. Ook de wat ik even maar noem ‘Wutbürger’, de ontevreden burger met het korte lontje moet het ontgelden en is (mede) oorzaak van de traagheid van het civiele geding. Hij verlangt een felle advocaat. Voor hem is minnelijk overleg uit den boze is, hoe eerder er gedagvaard wordt hoe beter, en als het even kan moet hoger beroep worden ingesteld. Mr. Groenewald noemt in dat verband de combinatie van het verdienmodel van de minder scrupuleuze advocaat en de cliënt met het korte lontje ‘ongelukkig’.

Ook mr. Groenewald gaat er vol voor als hij schrijft dat als gevolg van het entameren van bagatel- en kansloze zaken de advocaat zich laat betalen voor een ‘misleidend advies’ of een ‘kansloze zaak’ en de verwerende partij, die net als de cliënt slachtoffer is, ‘nodeloos’ op kosten jaagt. Hij oppert ook of het niet op de weg van de individuele advocaat ligt zich af te vragen of hij bij de uitoefening van zijn beroep wel maatschappelijk effectief bezig is.

Van welke advocaat heeft een cliënt het meest te duchten? Cliënten moeten vooral opletten voor éénpitters. Grote advocatenkantoren hebben te maken met (grote) cliënten (met alleen zaken die er wél toe doen?), met juristen in dienst die wel een inschatting kunnen maken van de kosten zodat er dan wel een effectieve remedie bestaat tegen ongeremd declareren en procederen. Maar dat geldt niet voor 4700 van de 5300 kantoren met minder dan 6 advocaten en, zo begrijp ik, al helemaal niet voor de 2800 éénpitters, wier cliënten de kosten en de kwaliteit van de dienstverlening niet kunnen beoordelen en in dit segment van de markt veelal niet in staat zijn een effectieve rem te vormen op procedeer- en advieslust (van de advocaat).

En artikel 10a van de Advocatenwet op grond waarvan de éénpitter geen kansloze zaken zou mogen entameren en hij bagatelzaken moet ontraden, helpt ook al niet.

De rechterlijke macht laat het afweten, en ook de Orde doet te weinig om dit euvel als oorzaak van de Traagheid van het civiele geding aan te pakken.

Er moet volgens mr. Groenewald op het punt van het tegengaan van het aanbrengen door advocaten van futiele en kansloze zaken meer sturing van de Orde komen en er moet volgens hem veel meer specialisme komen, zodat de éénpitter (kansloze?) zaken naar specialisten kan verwijzen en het weer invoeren van het ‘eigen beursje’ zou ook kunnen helpen.

Ik herken totaal niet het (karikaturale) beeld dat mr. Groenewald oproept en dat betalende cliënten met name van éénpitters declaraties krijgen voor ‘misleidende’ adviezen zal hoogst uitzonderlijk zijn. Ik vind het niet terug in tuchtrechtspraak en als ik jurisprudentie lees, denk ik zelden dat de zaak er was vanwege procedeerlust van een advocaat. Er worden geen voorbeelden gegeven en geen getallen genoemd, en of het om de sector kanton dan wel sector civiel van de rechtbanken gaat, die met bagatel- en kansloze zaken worden overstelpt. We moeten het doen met het ‘feit’ dat het geen ‘geheim’ is dat tal van dit soort zaken wordt aangebracht en dat in alle echelons van de rechtspraak en binnen een niet onaanzienlijk deel van de balie ‘men’ de blaam legt bij de advocatuur.

Ik kan er dus niet veel tegen inbrengen. Ik volsta met enkele observaties. Het is nog niet eens zo eenvoudig om een zaak een futiele- of bagatelzaak te noemen dan wel een kansloze zaak. Het hangt helemaal van de context af. Een ‘bagatel’ kan voor een betrokken partij belangrijk (genoeg) zijn om het oordeel van een rechter in te roepen, bijvoorbeeld in geval er verschil van mening is over de uitleg van een codicil en de vraag is voor wie het ene erfstuk is bestemd en voor wie het andere. Het is beter dat partijen dan naar de rechter stappen en een rechter pacificatie tussen partijen kan bereiken, in plaats van dat zij met elkaar op de vuist gaan. En aan pogingen van een advocaat om een rechter in een ‘kansloze’ zaak ‘om’ te krijgen en af te wijken van ‘vaste’ rechtspraak hebben wij mooie vernieuwende rechtspraak te danken. Specialisme is goed, maar de reden dat de éénpitter de weg niet zou kunnen vinden in het toenemend complexe doolhof van het recht en van wet- en regelgeving, is maar zeer ten dele adequaat omdat in veel zaken het niet zozeer om het recht gaat maar om de feiten en de waardering ervan. Wat heeft er zich feitelijk precies afgespeeld en hoe? Tot slot, ik zou het accentverschil dat mr. Groenewald maakt in het aanbrengen van bagatel- en kansloze zaken tussen de grote kantoren, die het uitstekend doen, en de uit maximaal 6 advocaten bestaande kantoren resp. éénpitters, die het ook vaak uitstekend doen, vaak in een niche, niet durven maken.

Ik moet de aanhef corrigeren. Let's not kill the éénpitters.


Mr. W. van Tongeren is advocaat te Twello. De titel van dit stuk is ontleend aan Shakespeare, Henry VI, Part 2, Act IV, Scene 2.Deze reactie verschijnt ook in NJB 2018, afl. 10.

 

 

Diana de Wolff schreef op :

Dat het ‘groeiende probleem’ van lange doorlooptijden komt door ‘tijdrovende futiele en kansloze zaken’ die advocaten aanbrengen heeft Groenewald niet erg overtuigend onderbouwd.1

Cijfers van de Raad voor de Rechtspraak leren dat tussen 2005 en 2014 de doorlooptijd van handelszaken met verweer bij de rechtbanken met 23% daalde, die van echtscheidingszaken met 11%, die van bestuursrechtelijke zaken met 14%. De CRvB was in 2014 10% sneller dan in 2005. Hoezo groeiend probleem? Alleen strafzaken voor een meervoudige kamer, geen futiele zaken, kostten veel meer tijd.2

Een advocaat wordt niet toegevoegd als het belang onder de € 500 ligt, terwijl zo’n bedrag er voor de doelgroep wel ‘toe doet’. Wie het wel kan betalen, spant het paard achter de wagen door een advocaat voor een bagatel in te schakelen. De griffierechten zijn in de afgelopen jaren zo hard gestegen, dat e-Court inmiddels tienduizenden ‘vonnissen’ genereert. Of we met dit commerciële alternatief voor overheidsrechtspraak blij moeten zijn is de vraag.

Dat het doel van rechtsgedingen is om de rechter voor te leggen of iemand zich aan de wet heeft gehouden, stoelt op een beperkte opvatting van de rol van rechters. Rechters hakken met gezag knopen door in bijvoorbeeld familierechtelijke of arbeidsrechtelijke geschillen, leggen contractsbepalingen uit, proberen schikkingen te bereiken, behandelen faillissementsverzoeken en zorgen voor executoriale titels . Veel voorkomende problemen zien er van een afstand uit als klein leed, maar wie te maken heeft met een onbegrijpelijke overheid, oesterzwammen op de muur, wanbetalers of een onredelijke ex, ligt daarvan wakker en zoekt recht. Kan dat niet, omdat de drempels te hoog zijn, dan verliest de rechtstaat zijn gezag. Conflicten afdoen als ‘zaken die er niet toe doen’ of ‘persoonlijke vetes’ miskent dat juist voor veel voorkomende problemen van burgers de gang naar de rechter uiteindelijk de stok achter de deur moet kunnen blijven.

Dat er meer kansloze procedures zouden worden gevoerd toont Groenewald evenmin aan. Feit is dat de verhoging in 2011 van de competentiegrens van de kantonrechter van € 5.000 naar 25.000 leidde tot een toename van procedures met 20 à 25%.3 Zaken dus waar geen advocaat voor wordt ingeschakeld of waar een advocaat geen brood in ziet. Overigens zijn kansarme procedures niet per se zinloos. Ze kunnen een gerechtvaardigd belang dienen, zoals een betere onderhandelingspositie, een onafhankelijk onderzoek van geleden schade of medische beperkingen, uitstel van betaling of van uitzetting of aandacht voor een principiële kwestie of waarde.

Groenewald stelt dat de advocaat weinig kan gebeuren, de kans op een tuchtrechtelijk vervolg is klein. Is dat zo? In 2016 kwamen er 2293 klachten bij de dekens binnen.4 45% daarvan, dus ruim 1000, was gericht tegen de eigen advocaat. Daaronder valt trouwens rijp en groen (ook ‘futiele en kansloze’ klachten). Klachten worden altijd onderzocht (art. 46c lid 3 Advocatenwet) en niet zelden lost de deken ze op. In 2016 werden 998 zaken bij de raden van discipline aangebracht (afkomstig van cliënten, maar ook dekens, wederpartijen, beroepsgenoten en derden). Twee op de drie klachten waren ongegrond.5 Het aantal klachten en gegrondverklaringen daalt overigens al jaren, ondanks de door Groenewald veronderstelde kortere lontjes bij rechtzoekenden.

Natuurlijk, er zit kaf onder het koren en over vereenzamende eenpitters die nog van alles aanpakken moeten we ons zorgen maken. Ook trouwens over gespecialiseerde advocaten van grotere kantoren die zaken onnodig op de spits drijven en uitmelken. Maar maatregelen die de toegang tot het recht verder beperken hebben een betere onderbouwing nodig. Intussen hoeft Groenewald van zijn hart geen moordkuil te maken. Zijn kennis over wanpresterende advocaten kan hij met de dekens delen. Signalen van derden worden immers steevast door de dekens opgevolgd.6

 

Prof. mr. D.J.B. de Wolff is bijzonder hoogleraar Advocatuur Universiteit van Amsterdam. Deze reactie verschijnt ook in NJB 2018, afl. 10. 

 

  1. Th. Groenewald, ‘De traagheid van het civiele geding. Over doorlooptijden en perverse prikkels’, NJB 2018/260, afl. 5.
  2. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Hoe-lang-duurde-de-afhandeling-van-zaken-in-de-afgelopen-jaren.pdf.
  3. https://www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/2445-evaluatie-verhoging-van-de-competentiegrens-kantonrechter.
  4. https://www.advocatenorde.nl/nieuws/jaarverslag-dekenberaad-minder-klachten-tegen-advocaten.
  5. http://raadvandiscipline.nl/jaarverslag-2016.
  6. Zie noot 4., p. 13. 

 

NJB Vlog

NJB Vlog is onlangs van start gegaan op njb.nl en You Tube. In korte interviews geven auteurs een toelichting op hun artikel en motivatie waarom ze in de pen klommen. 

Afbeelding

Deze week spreken Maurits Barendrecht, Jacques de Waart & Frederique van Zomeren over het artikel Van ‘in gebreke’ naar ‘in verbinding’. Over de kanteling in het denken over conflictbeslechting en waar de wetgever deze ontwikkeling zou moeten ondersteunen, dat zij schreven samen met Peter Ingelse en Fred Schonewille. 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.